Malcolm analyseert: de parlementaire stommiteit van deze week

Donderdag 18 december 2014

Ook de uitvoerige bespreking van de begroting voor volgend jaar op dinsdag 16 en woensdag 17 december 2014 in het Vlaams Parlement is niet zonder stommiteiten voorbijgegaan. Ik zou natuurlijk een hele bloemlezing kunnen maken van uitspraken die me geweldig hebben geërgerd en voor de meeste lezers zou een oppervlakkige lezing van het verslag allicht volstaan om daar nog een tweede boekdeel aan toe te voegen. Maar ik heb me laten vertellen dat te lange teksten mensen afschrikken en dus beperk ik me tot een passend voorbeeld dat de sfeer adequaat schetst.

Hoewel bij het grote publiek vrij onbekend, is Andries Griffroy een belangrijke figuur binnen de N-VA. Hij is een steunpilaar van het nationaal bestuur en een fervent verdediger van de Vlaamse ondernemer, een menselijke subspecies waarvoor blijkbaar dringend meer geld moet worden uitgetrokken. Zijn hele toespraak over het beleidsdomein Werk, Economie, Innovatie en Sociale Economie kan dan ook worden gelezen als een apologie van de Vlaamse werkgever. Op zich zou dat niemand mogen verbazen van een partij die de vrije markt harder verdedigt dan de liberalen, maar een paar citaten tarten toch werkelijk de verbeelding.

Ik  heb deze twee specifieke citaten niet gekozen omdat ik het er ideologisch niet mee eens ben, maar omdat de gehanteerde redeneringen gewoonweg niet kloppen. In de praktijk kwam de toespraak van de heer Griffroy erop neer dat hij gewoon zijn voorbereiding op papier heeft voorgelezen. Volgens mij had hij zijn tekst beter nog eens nagelezen.

“We stoppen dus met maatschappelijke debatten te voeren die enkel de negatieve aspecten van het ondernemen de nodige aandacht geven.”

Dit is geen oproep of wens. Er staat niet dat we daar “beter mee zouden stoppen” of iets dergelijks. Dit klinkt als een simpele, feitelijke vaststelling. Blijkbaar heeft de heer Griffroy beslist dat bepaalde maatschappelijke debatten niet langer zullen worden gevoerd. Volgens mij beslist de maatschappij daar zelf over, maar over dat mogelijk discussiepunt zal ik proactief ook al maar stoppen.

Hier blijft het overigens niet bij. Blijkbaar zijn er in het verleden maatschappelijke debatten gevoerd die enkel bepaalde negatieve aspecten hebben behandeld. Zo gaat dat met maatschappelijke debatten. Men weet waaraan men begint, maar men weet niet welke elementen uiteindelijk het meest aan bod zullen komen. Gelukkig hebben we nog de heer Griffroy om de gesprekken tussen mensen in goede banen te leiden.

Natuurlijk is dit wishful thinking van iemand die alle andere mensen graag zijn blinde adoratie voor het ondernemerschap zou zien overnemen. Volgens hem zijn de negatieve aspecten van het ondernemerschap dan ook van ondergeschikt belang. Alleen moet hij dan wel eens uitleggen waarom hij het over “de nodige aandacht” heeft...

Dit is het zoveelste voorbeeld van een spreker die zijn zinnen tracht te verfraaien, maar helaas niet in staat is daarvoor de juiste adjectieven te kiezen. Blijkbaar is onze woordenschat wat te groot voor zijn analytisch vermogen. Helaas stopt de absurditeit niet met deze foute inschatting van het eigen taalvermogen.

“Ondernemingen en vooral ondernemers zijn uitermate belangrijk voor ons. Alles wat we willen, start uiteindelijk bij hen.”
Werkelijk? Heb ik nu echt iemand als Andries Griffroy nodig om te weten wat ik wil? Of besef ik gewoon niet dat we allemaal niemand minder dan onze ondernemers moeten danken voor onze relaties en eventuele kinderen, voor onze vriendschappen en de in dronkenschap ontaardende avonden die hier soms het gevolg van zijn, voor onze intellectuele inzichten en de hulp die ze ons bieden om de juiste levenskeuzes te maken, voor het gevoel van humor waarmee sommigen het leven van anderen weten te verlichten of zelfs voor het feit dat ik als vrije burger nu en dan tevergeefs mijn stemrecht mag uitoefenen?

Waarschijnlijk bedoelt hij iets anders, bijvoorbeeld dat de inkomsten die de ondernemingen genereren zowat heel de samenleving financieren. De redenering is eenvoudig. Zonder ondernemers zou niemand een job hebben en zou de overheid geen belastingen kunnen innen. Ik ga ervan uit dat hij de ironie van zijn eigen denkfouten niet ziet.

Zonder ondernemingen zou niemand als arbeider of bediende voor een bedrijf kunnen werken. Zonder die werkgevers zou iedereen min of meer op zichzelf zijn aangewezen. Iedereen zou zelf een manier moeten vinden om geld te verdienen. Alleen betekent dit natuurlijk dat iedereen de facto zelfstandige, oftewel ondernemer, zou worden. Tenzij we natuurlijk voor een communistisch of anarchosyndicalistisch model zouden kiezen en iedereen gezamenlijk voor de gemeenschap zou werken. Maar in dat geval zouden we natuurlijk geen ondernemingen nodig hebben.

Zonder ondernemingen zou de overheid geen belastingen kunnen innen. Hierbij wordt natuurlijk vlot genegeerd dat de grootste bedrijven bijzonder weinig belastingen betalen en dat de meeste belastingen eigenlijk afkomstig zijn van de loontrekkenden. Natuurlijk krijgen zij hun loon van de ondernemingen, maar zonder dat loon zou niemand het werk willen doen en zouden die ondernemingen niet blijven bestaan.

Ondernemingen bestaan omdat ze over personeel beschikken dat produceert wat de klanten willen. Dat proces wordt vanuit linkse hoek vaak kritisch benaderd, maar het hoeft niet per definitie een broeihaard van ellende te zijn. Het wordt pas erg als de ondernemer zichzelf de overtuiging aanpraat dat hij en hij alleen de belangrijkste schakel in het proces is. Zodra die stap is gezet, volgt hieruit logischerwijze dat hij voor alles zorgt. Hij creëert de jobs, hij ontwikkelt de producten, hij maakt de winst en hij betaalt de belastingen.

Zo lang de ondernemers deze zelfverzonnen mythe in stand kunnen en mogen houden, zullen dergelijke toespraken vol ondoordachte en kromme redeneringen veeleer de regel dan de uitzondering blijven.