Malcolm analyseert: het Vlaams regeerakkoord: hoofdstuk 19-20

Donderdag 14 augustus 2014

Hoofdstuk: XIX: Cultuur, jeugd, media

Wie zich tot nu toe al zwaar heeft geërgerd, kan dit hoofdstuk beter overslaan. De nationalistische hysterie gaat in overdrive en als Sven Gatz ooit ontslag zou nemen, zal zijn opvolger ongetwijfeld tot minister van Propaganda worden benoemd.

Cultuur

In elk geval leven we niet in een gewest, maar in een product dat moet worden verkocht. “Het merkbeleid Vlaanderen” is weer eens van de partij, maar gelukkig zonder vallei erbij. Helaas moeten we het dan wel stellen met “Flanders, State of the Art”. Daar heeft ongetwijfeld ook weer een consultant geld aan verdiend.

Als cultuur een product is, moet natuurlijk rekening met vraag en aanbod worden gehouden. Zo komen er maatregelen die de “overproductie tegengaan” en wordt de focus gelegd op “relevante presentatieplekken”. Erger nog is de zin “We besteden ook aandacht aan jongeren en beginnende kunstenaars die creatief bezig zijn in de ruimte tussen amateurs en professionelen, zodat ze een sprong kunnen maken in hun carrière.”

Het gaat, met andere woorden, niet enkel om de mentaliteit van de Vlaamse Regering of van de overheid in het algemeen. Het is de bedoeling vooral ondersteuning te bieden aan die creatieve mensen die hun voortbrengselen als producten aan de man willen brengen en die dit als een carrière beschouwen. Iets verder staat dan ook dit te lezen: “Er moet gewerkt worden aan samenwerking tussen de cultuursector en de markt. Cultureel Creatieve Sectoren (CCS) leveren een belangrijke economische toegevoegde waarde en worden dan ook terecht gepromoot.” De grootste gemene deler zal er wel bij varen.

Het bovenstaande geldt in principe voor alle kunstvormen, maar de Vlaamse film wordt expliciet vermeld: “Het Vlaams Audiovisueel Fonds ontwikkelt een vertoningsbeleid in samenwerking met wijkbioscopen en culturele centra, om ervoor te zorgen dat onze Vlaamse film breder verspreid wordt. We stimuleren een ondernemingsgerichte aanpak in de audiovisuele sector met aandacht voor terugverdieneffecten.” Men schijnt te vergeten dat er dankzij de stimulering van de marktwerking binnenkort geen wijkbioscopen meer overblijven, maar daarnaast vraag ik me af wat een vertoningsbeleid precies inhoudt. Is het de bedoeling dat een overheidsdienst lijsten opstelt van films die moeten worden vertoond of zo? De belangrijkste concentratie van succesvolle filmmakers ter wereld vinden we natuurlijk in Hollywood en daar wordt haast altijd bijzonder ondernemingsgericht gedacht. De vraag is enkel of het platte entertainment dat hier het gevolg van is de culturele creaties oplevert die binnen een cultuurbeleid horen. Dit is geen retorische vraag. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord dat de Vlaamse Regering ons zal geven.

Volgens de liberale afwijking van het gezond verstand mag de werking van de markt natuurlijk niet door een overheid worden verstoord. De Vlaamse Regering zal hier rekening mee houden: “Ten opzichte van sectoren met een marktwaarde en commerciële inslag vermijden we concurrentieverstoring.” Kunstenaars zijn nu eenmaal concurrenten, niet waar? Het is tenslotte onmogelijk meer dan een kunstenaar goed te vinden of creaties van meer dan een kunstenaar te appreciëren, excuseer, consumeren.

Dit betekent natuurlijk niet dat er in dit hoofdstuk geen ruimte meer is voor interne tegenspraak: “We hebben aandacht voor de onafhankelijke boekhandel en wijkbioscoop, die binnen een economische marktwerking een grote meerwaarde bieden op het vlak van spreiding en culturele diversiteit.” Ik leid uit de teloorgang van alle onafhankelijke winkels in mijn eigen omgeving eigenlijk veeleer af dat vooral de economische marktwerking, in het bijzonder de roofzuchtige expansiedrift van de grote ketens, voor hun sluiting heeft gezorgd, maar ik mag natuurlijk niet de illusie koesteren dat mijn mening van tel is.

Meer tegenspraak volgt reeds enkele zinnen later: “Dit mag uiteraard niet leiden tot een 'economisering' van de cultuursector en een verschraling van het aanbod.” Hier kan ik enkel uit afleiden dat ze er echt niets van hebben begrepen. De markt leidt per definitie tot verschraling, want  het hele kapitalistische denken is gebaseerd op het nastreven van permanente groei, want enkel kan door anderen weg te concurreren.

De focus op de economische meerwaarde blijft trouwens geen vage achterliggende gedachte: “Publiekgerichte initiatieven moeten al het nodige doen om publiek te bereiken.” Deze zin zal als een wapen worden gebruikt tegen al die gesubsidieerde organisaties die al eens iets durven te programmeren dat niet voor de grote massa is bestemd. Natuurlijk zijn er uitwassen geweest en mag aan bepaalde wantoestanden een einde worden gesteld, maar dit kan heel gemakkelijk in de andere richting doorslaan.

Het onderwijs ontsnapt trouwens ook niet: “het hoger onderwijs moet zijn middelen voor cultuur- en kunstengerelateerd onderzoek meer veldgericht en in nauwere samenwerking en afstemming met de sector inzetten. De return voor beleid en sector moet meer zichtbaar zijn.” Dit betekent eigenlijk dat het onderwijs zijn rol moet vervullen in de officieel overigens ongewenste economisering van onze culturele sector. Waarom dit niet staat vermeld in het hoofdstuk over het onderwijs zelf, is me trouwens niet duidelijk.

Daarnaast is het tevens expliciet de bedoeling onze culturele producten te gebruiken om de Vlaamse natie verder uit te bouwen: “De focus ligt daarbij op initiatieven met impact, bereik en uitstraling op Vlaams en internationaal niveau.” Dit is nog het angstaanjagendste. Als het aanbod ons niet aanstaat, kunnen wij het nog steeds negeren, maar nu is het zelfs de bedoeling dit alles nog eens te gebruiken om in het buitenland een fictief beeld van Vlaanderen op te hangen. Het is natuurlijk maar de vraag of dit ook zal lukken, want als er nu een plek is waar het nationalisme niet populair is, is het wel de culturele sector. Weinig kunstenaars hadden sympathie voor de vorige Vlaamse Regering, met minister van Cultuur Schauvliege terecht als voornaamste kop van jut. Nu zullen het er nog minder zijn, met uitzondering natuurlijk van zij die zich laten verblinden door de potentiële return-on-investment en door de mogelijkheid een lucratieve professionele carrière uit te bouwen.

Jeugd

Normaal gezien, vindt een mens het erg oud te worden, maar eigenlijk ben ik zeer blij dat ik nu geen 16 jaar ben. Ik beweer niet dat het vroeger goed was. Ik vind enkel dat het nu niet goed is en het jeugdbeleid van de nieuwe Vlaamse Regering zal hier niet veel aan veranderen.

Om te beginnen, staat dit onderdeel vol gratuite stellingen die wel goed klinken, maar waarvan niemand weet hoe ze in de praktijk zullen uitdraaien. Dit is een goed voorbeeld: “We stimuleren de inspraak van kinderen en jongeren in het lokale jeugdbeleid”. Er is natuurlijk geen enkele garantie dat men hun mening ook rekening zal worden gehouden, zeker indien er veel geld mee gemoeid is.

In elk geval gaat dit regeerakkoord verkeerd om met een van de basisbehoeften van jongeren: “Kinderen en jongeren hebben nood aan fysieke ruimte. Er moet voldoende publieke ruimte zijn die toegankelijk en aantrekkelijk is voor iedereen en hierdoor ook generatiedoorbrekend: plekken die uitnodigen om te spelen, te bewegen en te ontmoeten.” Kinderen willen gewoon plekken waar ze op hun eigen, zonder te veel inmenging zichzelf kunnen zijn en spelen op de manier die zij leuk vinden. Alleen mag dat in onze egoïstische samenleving niet meer. De fysieke ruimte voor kinderen waarvan sprake is niet voor hen bedoeld, maar voor hun ouders, die elkaar daar kunnen ontmoeten terwijl de kinderen wat verder spelen. Zij staan hier centraal, niet de kinderen. Kinderen alleen laten spelen, is trouwens ook een taboe aan het worden. De reden is trouwens een verborgen egoïsme waarvan de meesten zich niet eens bewust zijn. Ze hebben geen angst voor verschrikkelijke ongevallen die hun kinderen zouden kunnen overkomen als ze er niet constant op letten. Neen, hun eerste gedachte is dat ze het zichzelf altijd zouden blijven verwijten als er een verschrikkelijk ongeval zou gebeuren. Ze zijn zich niet eens bewust van het egoïsme van hun eigen redeneringen en de kinderen mogen al blij zijn als ze ergens een vierkante meter krijgen waar ze langs alle kanten in de gaten worden gehouden.

Wat het jeugdbeleid betreft, heeft de nieuwe Vlaamse Regering trouwens wel meer rare ideeën: “Via het jeugdbeleid (…) willen we mee instaan voor betaalbaar en kwaliteitsvol wonen (…).” Ik snap gewoon niet wat ze hiermee bedoelen. Op welke wijze willen ze vanuit het jeugdwerk iets doen aan de prijzen en de kwaliteit van de woningen? Dit klinkt mooi, maar ik betwijfel of we er in de praktijk iets van zullen merken. Nu ja, indien we van de rest van dit regeerakkoord in de praktijk ook niets merken, zou ik eigenlijk blij zijn.

Media

Het onderdeel over het mediabeleid is vrij uitgebreid. Er moeten dan ook heel wat kritische stemmen tot zwijgen worden gebracht. Uit dit regeerakkoord blijkt in elk geval dat de media moeten en zullen worden gebruikt om de bevolking een volksidentiteit aan te praten en andere propaganda te verkondigen. Mocht een bepaalde zinssnede in hoofdstuk XXII de hoofdprijs voor walgelijkheid niet wegkapen [11], zou ik dit het meest misselijkmakende aspect van heel het toekomstig beleid vinden.

De Vlaamse Regering wil een beleid voeren dat “de verarming en verschraling van contentproductie tegengaat, maar integendeel de creatie van gediversifieerde en kwaliteitsvolle content die aansluit bij de hedendaagse en historische eigenheid van Vlaanderen bevordert.”

De verschraling van de inhoud, die hier natuurlijk met een Engelse term 'content' wordt genoemd, is een gevolg van het beleid dat al sinds het einde van de jaren 80 is gevoerd. Dat wordt natuurlijk nergens op die manier verwoord. Het is tenslotte allemaal een gevolg van de vrije markt en die heeft altijd gelijk.

De creatie van kwaliteitsvolle content is een mooi streven, maar dat kost geld en de Vlaamse Regering wil net besparen. Dat geld moet dus van elders komen, bijvoorbeeld uit reclame-inkomsten. Alleen staat de reclamemarkt zwaar onder druk, onder meer omdat steeds meer mensen digitale televisie hebben en de reclameonderbrekingen gewoon doorspoelen. Ik heb in het verleden al gewezen op het gevaar dat de aanbieders van digitale televisie software zullen inbouwen die dit onmogelijk zal maken. De decretale basis hiervoor is reeds gelegd en de kijker zal zijn recent verworven comfort weer verliezen en weer om de twintig minuten 'iets in de keuken' moeten doen [12].

Erger nog is dat al die content moet aansluiten bij de “hedendaagse en historische eigenheid van Vlaanderen”. Als dat geen eufemisme voor nationalistische propaganda is, weet ik het ook niet meer. De media zouden natuurlijk kunnen weigeren, maar dan zouden hun reclame-inkomsten nog verder onder druk kunnen komen te staan. Die reclame komt namelijk van ondernemers. Die ondernemers zijn onder meer verenigd in Voka. Voka heeft het Vlaams regeerakkoord grotendeels geschreven. De gewone burger mag niet vergeten dat zijn enige functie in het leven eruit bestaat hard te werken en al even hard te consumeren zodat een kleine elite steeds rijker wordt. Wie denkt dat hij om andere redenen op aarde is gezet, moet dringend door onze media op zijn plaats worden gewezen.

Een belangrijke speler in ons medialandschap is uiteraard onze eigen openbare omroep. De VRT moet niet enkel besparen, maar moet ook meer ruimte bieden aan commerciële zenders die uiteraard wel wat beters te doen hebben dan aan kwaliteitsvolle content te werken: “In een globaliserend en concurrentieel medialandschap moet de publieke opdracht van de openbare omroep nauwkeurig en doordacht gedefinieerd worden. De openbare omroep moet zich terughoudend opstellen tegenover de advertentiemarkt.” We kunnen dit ook anders formuleren. De VRT moet ervoor zorgen dat de rest ook geld kan verdienen, zelfs als dit een afbouw van het eigen aanbod inhoudt. Die afbouw zal er trouwens automatisch wel komen, want de VRT moet, in functie van het “efficiency-verbeteringstraject” voorzien in een “verdere daling van het personeelsbestand en de budgettaire kost ervan”. Ik denk dat we weer wat stakingen tegemoet gaan.

Ook zonder stakingen zal de bevolking de gevolgen van dit zonder meer gevaarlijke mediabeleid voelen: “In dat kader stellen we ook vereisten met betrekking tot een gewaarborgd aanbod, ook op zenders en tijdens zenduren met een ruim bereik, aan Vlaamse en Nederlandstalige producties en muziek, in verschillende genres.” en “Private radiozenders die een extra inspanning leveren voor de Vlaamse muziekindustrie, krijgen een stimulans van de Vlaamse overheid.” Dit is niet minder dan een poging van bepaalde politici die het volk liever dom houden om een nieuw elan te geven aan die laagste van alle cultuuruitingen, het Vlaamse lied. De Vlaamse zangers, de menselijke subsoort homo sapiens trivialis en hun publiek, de homo non-sapiens, proberen al jaren weer een plek te veroveren op radio en televisie om bejaarden geld uit de zakken te kloppen voor teksten die hen wijsmaken dat het erger is duizendmaal te worden bedrogen door uw lief [13] dan door de Israëilische luchtmacht te worden gebombardeerd of dat het leuker is zeven anjers en zeven rozen te ontvangen dan een deftig pensioen. Mooi, het leven is mooi, vooral als de zanger op het podium u ervan overtuigt dat eenvoudigweg niet na te denken een oplossing voor alle problemen kan zijn. Stel u gewoon even voor dat u een recent aangekomen migrant ontmoet die er dankzij onze zenders van overtuigd is dat het Vlaamse volk vooral en graag naar al die schlagers luistert. Mijn antwoord is reeds voorbereid: “Je suis de Luxembourg.”

De teksten van het gemiddeld levenslied zijn dan misschien van een ergerlijke simpliciteit, maar van de volgende zin kan dat alvast niet worden beweerd: “Als over-the-topspelers (zoals YouTube) de broadcastfunctie overnemen omdat zij meer kijkers bereiken dan reguliere televisiezenders, moet de overheid een aangepast model uitwerken voor de sociale return-on-investment. We zullen erop toezien dat auteurs en uitvoerders voor hun prestaties in de media correct worden vergoed, met vrijwaring van de rechten die hun wettelijk toekomen en het beteugelen van piraterij.”

Volgens mij behoort de strijd tegen piraterij niet tot de taken van de Vlaamse overheid, maar dat zinsdeel snap ik tenminste nog. Wat is een 'over-the-topspeler'? Wat wordt hier bedoeld met de 'broadcastfunctie'? Om wat voor een aangepast model gaat het? En waarop slaat die 'sociale return-on-investment' precies? Volgens mij mogen we dit niet zo maar gelijkschakelen met de gebakken lucht die in het hoofdstuk Economie zo overvloedig aan bod is gekomen. De auteur van deze zin heeft wel degelijk een bedoeling. Spijtig genoeg, is hij wel de enige die weet welke bedoeling.

Hoofdstuk XX: Sport

Het hoofdstuk over sport is eigenlijk opvallend lang en in elk geval een stuk uitgebreider dan de uitleg die we krijgen over pakweg armoede of cultuur. Nu ja, een goed kapitalist houdt natuurlijk van competitie.

Volgens het regeerakkoord heeft sport een “belangrijke maatschappelijke rol”, onder meer op het vlak van de sociale cohesie. Sport bevordert ook “de inclusie van kansengroepen”. Dat laatste klopt natuurlijk wel. Als niemand anders die allochtonen werk wil geven, wordt een sportcarrière zo'n beetje hun laatste kans. In veel derdewereldlanden is dat al jaren het geval en klimmen veel voetballers op uit de favela's van grootsteden waar ze voor het overige nooit enige kans zullen krijgen. De vraag is natuurlijk of dat een voorbeeld voor onze eigen maatschappij is.

Het zal ondertussen niemand meer verbazen dat het regeerakkoord zichzelf weer eens tegenspreekt. Enerzijds moet sport “een vaste gewoonte worden in het leven van elke Vlaming”, wat op zich al een straffe uitspraak is. In andere hoofdstukken ligt de nadruk nochtans op de vrije keuze van het individu. Anderzijds situeert het zwaartepunt van het beleid bij “bovenlokale projecten en topsport(training)infrastructuur. Wat is het nu? Moet elke Vlaming dan een topsporter worden of bovenlokaal aan sport doen? Wat is er eigenlijk mis met wat gezonde lichaamsbeweging zonder het competitief tintje van de georganiseerde sportbeoefening?

Hoe belangrijk de Vlaamse Regering sport ook moge vinden, de sportfederaties ontsnappen niet aan de besparingswoede: “We streven naar een rationalisatie in het federatielandschap en een resultaatgerichte financiering.” Ik ben benieuwd welke resultaten de Vlaamse Regering precies voor ogen heeft. Is het misschien de bedoeling federaties minder geld toe te kennen indien ze geen schitterende resultaten neerzetten die de uitstraling van Vlaanderen vergroten? Mij is het niet duidelijk en ik vrees dat termen als “breedtesportbeleid” niet veel helpen. In elk geval fungeert “de topsporttakkenlijst” als “verdeelsleutel van de middelen”. Pech voor die sportieve mensen die elke week liters zweet laten voor een sport die de Vlaamse Regering maar niets vindt.

In elk geval moeten sporters worden begeleid. Vroeger gebeurde dat door trainers, hulptrainers en nog wat ondersteunende medewerkers, waarvan velen gepassioneerde vrijwilligers waren. In dit regeerakkoord gaat het om de “aanstelling van professionele directeurs sportkaderopleiding per (focus)sport”. Volgens mij zijn onze sportbeoefenaars meer met een degelijke trainer dan met een nauwelijks vermomde manager.

Ook in dit hoofdstuk vinden we trouwens een verwijzing naar plannen met het onderwijs die niet in het hoofdstuk over Onderwijs zelf zijn opgenomen: “Zo werken we naar één campus per sporttak waarin de talentontwikkeling, topsporttrainingsinfrastructuur, topomkadering en sportwetenschappelijke en sportmedische begeleiding worden geclusterd.” Nu de nationalisten aan de macht zijn, mogen we het oervlaamse 'verzameld' tenminste eindelijk door het Engelse 'geclusterd' vervangen. Eindelijk een regering zonder socialisten die aandacht voor de Vlaamse eigenheid toont. De vrije schoolkeuze en de tijdens debatten vaak aangehaalde pedagogische eigenheid van de onderwijsinstellingen spelen hier blijkbaar geen rol. Sport is dan ook niet bedoeld om gezondere mensen op te leveren, maar om medailles te verzamelen.

Sport wordt in dit regeerakkoor vooral gebruikt als een instrument om de Vlaamse natie verder te bouwen. Als de voorgaande paragrafen dit nog niet duidelijk hadden gemaakt, zal het volgend citaat allicht elke twijfel wegnemen: “De Vlaamse Regering blijft ook inzetten op de ploegsporten, met garanties voor de zichtbaarheid van de gemeenschappen. Het merk Topsport Vlaanderen zal in de geest van de nieuwe Vlaamse huisstijl gebruikt worden om Vlaanderen via het topsportbeleid zowel  nationaal als internationaal te promoten.” Dit heeft niets meer met gezondheid of met een sportieve passie te maken. Dit draait om het gebruiken van getalenteerde mensen als advertenties voor een ideologie.

Het regeerakkoord is echter niet eendimensioneel op de Vlaamse natie gericht. Ook andere prioriteiten komen aan bod: “Sport is veel meer dan bewegen alleen. Door te sporten verwerven mensen competenties die in alle domeinen van het leven van belang kunnen zijn. De rol van sport in de competentieontwikkeling en trajecten naar werk zal uitgediept worden, zeker voor jonge werkzoekenden.” Ik weet zelfs niet wat dit betekent. Over welke competenties gaat het dan? Welke rol speelt een actief sportleven in het zoeken van een geschikte job? Ik wacht voor ongeduld op een beleidsnota waarin dit verder wordt verduidelijkt, want ik vermoed dat we dan nog eens de kans zullen krijgen zeer hard te lachen.
-----------------
[11] Ja, ook ik gebruik wel eens een spanningsopbouwend element.
[12] Het is uw morele plicht tijdens reclameonderbrekingen de ogen van het scherm af te wenden. Indien u dat niet doet, zou u in de verleiding kunnen komen een product te kopen van een fabrikant die zijn geld aan dure reclamecampagnes besteedt. Vergeet niet dat dit geld elders moet worden gerecupereerd, bijvoorbeeld door de productie naar een derdewereldland te verplaatsen.
[13] Als ze u duizendmaal kan bedriegen, hebt u misschien iets te veel geduld. U kunt, bijvoorbeeld, ook al na de driehonderdste keer op zoek gaan naar een betere vriendin. Deze zin is overigens genderneutraal bedoeld, maar al die 'hij/zij'-constructies komen de leesbaarheid niet ten goede.