Malcolm blikt terug: op de overlijdens van 2016, deel 1

Maandag 26 december 2016

Hoewel er de komende dagen nog allerlei zaken kunnen mislopen, lijkt het me stilaan veilig eens op het aflopende jaar terug te blikken. Een punt dat zeker in alle jaaroverzichten aan bod zal komen, is het opvallend hoge aantal overlijdens van bekende en beruchte mensen.

Ik wil niemand vervelen met een lange lijst die men even goed op verschillende websites kan terugvinden, maar in dit eerste deel geef ik toch een paar voorbeelden. Eens die luchtige wandeling doorheen de recentste vleugels van het internationaal kerkhof is afgerond, kan ik me dan in de volgende twee delen focussen op twee overlijdens die voor mij persoonlijk meer betekenen.

Voor de liefhebbers van populaire muziek wordt 2017 het eerste jaar zonder Black, wiens sombere wereldvisie met een verkeersongeval is geëindigd, zonder Keith Emerson en Greg Lake, wat ons gelukkig een reünie van hun trio bespaart, en zonder het flamboyante maar systematisch boven zijn stand levende one-hit wonder Pete Burns. Er zijn trouwens nog een hoop bekendere artiesten overleden, maar die zijn in de massamedia al genoeg aan bod gekomen.

Het hoeft echter niet altijd slecht nieuws te zijn. Gelukkig kunnen we het in de toekomst ook stellen zonder Robert Stigwood, de als muziekfan vermomde zakenman achter Grease en Saturday Night Fever, zonder Jerry Heller, de manager van NWA die het nodig vond paramilitaire zionisten in te huren om zich tegen zijn voormalige concurrenten te beschermen, zonder Lou Pearlman, de manager die ervoor zorgde dat The Backstreet Boys slechts 300.000 dollar verdienden aan de verkoop van 130 miljoen cd’s en die uiteindelijk voor diverse gevallen van fraude tot 25 jaar celstraf werd veroordeeld en zonder Robert Krasnow, een belangrijke directeur van belangrijke platenfirma’s die het onding genaamd de Rock ‘n’ Roll Hall of Fame heeft opgericht om de street creditibility van tegendraadse artiesten en subversieve rebellen op middelbare leeftijd commerciëel te recupereren.

Mensen met een betere smaak, waarmee ik uiteraard die mensen bedoel die mijn smaak delen [1], treuren dan weer om diverse zangers en muzikanten uit de alternatieve scene, waaronder stichtende leden van onder meer DOA, Government Issue, The Business, Trio en Suicide.

Mensen zonder enig besef van smaak rouwen dan weer om Eddy Wally, die na zijn dood door velen als een cultureel fenomeen is omschreven. Mij lijkt het fenomeen veeleer de sublimatie van de onwil tot mentale denkprocessen bij zijn publiek. Ik weiger me schuldig te maken aan het cliché dat over de doden niets dan goeds mag worden gezegd. Dat zal met mij later ook niet gebeuren. Wie zich hieraan stoort, mag blij zijn dat ik niet over Nancy Reagan begin. Of over Gaston Berghmans, die ook gedurende decennia als paljas is beschouwd maar tijdens zijn laatste levensjaren plots tot monument werd bevorderd.

Verder is er weer eens een rapper in geslaagd zich te laten neerkogelen. Ik had nog nooit van Bankroll Fresh gehoord, maar met een naam als Trentavious Zamon White Sr. zou ik misschien ook eender welk pseudoniem overwegen. De dader was een andere rapper, die overigens nooit is aangeklaagd. Blijkbaar worden enkel de ongewapende zwarten door de politie vermoord. Wat eigenaardige voornamen betreft, is dit nog niet eens de koploper. Ook overleden in 2016 is de voormalige Amerikaanse diplomaat Monteagle Stearns. Monteagle? Waar zit de Child Protection Service wanneer men ze nodig heeft?
Nu we het toch even over rappers hadden, kan ik trouwens ook het overlijden vermelden van een zekere Tyruss Himes, die ooit nog met 2Pac Shakur samenwerkte onder het pseudoniem Mussolini. Spijtig genoeg is hij niet door een woedende menigte opgeknoopt en tot pulp geschopt. Fantasieloos als de meeste gansterrap is hij braafjes thuis een natuurlijke dood gestorven.

Rappers vormen trouwens niet de enige beroepscategorie die tot ernstige letsels kan leiden. In Spanje is zowaar nog eens een matador, een zekere Victor Barrio, door een stier tot preparé herleid. Wie enige empathie kan voelen met mensen die dieren doodmartelen om van een dwaze massa de status van halfgod te krijgen, moet dat maar doen. Mij lukt het niet.

De sportliefhebbers moeten het dan weer stellen zonder Johan Cruijff, waardoor de gemiddelde taalvaardigheid binnen de voetbalgemeenschap meteen met 23 percentpunten is gestegen, zonder Joao Havelange, wat helaas niet betekent dat de toekenning van locaties voor internationale sportevenementen niet meer door smeergeld wordt bepaald, zonder Raul Molina, een Mexicaanse worstelaar die zichzelf om mij onbekende redenen bewust en met voorbedachten rade de ietwat eigenaardige en niet bijzonder angstaanjagende bijnaam El Mongol had gegeven, zonder Steve Lemmens, een Belgisch snookerspeler die op 11 oktober ook een hoop andere mensen depressief heeft gemaakt door het treinverkeer tussen Leuven en Aarschot te verstoren en zonder een Braziliaanse voetbalploeg die een synergetische methode  heeft bedacht om tegelijkertijd de brandstofkosten en de personeelskosten te reduceren. Het belangrijkste verlies voor de sportwereld is echter de definitieve knock-out van Cassius Clay, de man die blank Amerika schokte door te weigeren in Vietnam te gaan vechten met de woorden “The Vietcong never called me nigger”, een correct antwoord op de vraag wie nu eigenlijk de vijand was.

De filmwereld heeft natuurlijk, zoals elk jaar, tientallen minder bekende acteurs, regisseurs en aanverwanten zien verdwijnen. Eervolle vermeldingen zijn er voor George Kennedy, die in de echte jaaroverzichten weer over het hoofd zal worden gezien omdat zogezegd belangrijke mensen de zendtijd in beslag nemen, voor Götz George, voor 80s-veteranen de Horst Schimanski der Duitse televisieflikken, voor Michael Cimino, de megalomane regisseur die in zijn eentje United Artists failliet kreeg en daardoor onrechtstreeks de machtsovername van Hollywood door boekhouders en beleggingsadviseurs heeft bewerkstelligd, voor de immer aanstekelijke Gene Wilder, voor Andrzej Wajda, de miskende chroniqueur van Oost-Europa die erin slaagde tegelijkertijd een socialist en een dissident te zijn zonder inhoudelijk saai te worden, en voor Robert Vaughn, destijds de eerste bekende Amerikaanse acteur die zich openlijk tegen de oorlog in Vietnam afzette.

Wie de politiek volgt, weet dat hij niet langer moet rekenen op bijdragen van Boutros Boutros-Ghali, wiens naam na zijn pensioen vooral met zonnige weerkaarten werd geassocieerd, van Louis Van Geyt, de laatste voorzitter van de Belgische Kommunistische Partij die nog voor de Belgische parlementsverkiezingen is opgekomen, en van Jo Cox, eigenaardig genoeg zowel neergeschoten als neergestoken door een rechtse extremist die vindt dat Groot-Brittannië met al die vluchtelingen te veel potentiële geweldplegers binnenlaat.

Arme en onderdrukte mensen met een politiek bewustzijn kunnen dan weer juichen om de dood van Timothy Bevan, een steenrijke bankier en erfgenaam van de beroemde Barclays Bank. Binnen de eigen landsgrenzen was er natuurlijk nog Didier Bellens, die gedurende heel zijn leven alles en iedereen heeft opgeofferd om toch maar wat meer te verdienen en vervolgens nog net op tijd is gestorven om vervolging te vermijden nadat zijn naam in de Panama Papers bleek te staan. Geld maakt niet gezond. Verder is Roger Agnelli, in het ongetwijfeld aangename gezelschap van vrouw en kinderen, met zijn vliegtuig geland op een manier die niet met de instructies in de handleiding overeenkomt. Vooral voor de arme Brazilianen die hij met een gigantische dam uit hun Amazonegebied wilde verjagen, is dit zeker een reden tot gejuich. Tevens overleden is Bud Spencer, die men met wat goede wil als acteur kan omschrijven, maar die in mijn ogen toch vooral een trouw lid van de partij van Silvio Berlusconi was. Gerald Grosvenor, de derde rijkste man in Groot-Brittannië is ook niet meer onder ons. Hard gejuich is ditmaal wel misplaatst, want de familie betaalt zo goed als geen erfenisrechten op zijn fortuin van 9,35 miljard pond. Tot slot kan Costa Rica feesten na het overlijden van Luis Alberto Monge, de gewezen president van extreemrechtse signatuur die in ruil voor financiële hulp voor zijn belastingparadijs de CIA toestemming gaf om illegale kampen op te zetten langs de Nicaraguaanse grens die vooral werden gebruikt om doodseskaders op de Sandinista in het buurland af te sturen.

Een twijfelgeval is het overlijden van Antonin Scalia, tot aan zijn dood rechter bij het Supreme Court of the United States, in onze media meestal ‘het Amerikaans hooggerechtshof’ genoemd. Een citaat maakt duidelijk waarom zijn dood niet moet worden betreurd: “In order for capitalism to work, in order for it to produce a good and stable society, traditional Christian virtues are essential”. Helaas gaat het hier om de Amerikaanse politiek en is de situatie bijgevolg nooit zo eenvoudig als men zou willen. Scalia heeft niet alleen een leeg bed, een lege badkuip en een lege toiletpot achtergelaten, maar ook een lege stoel, meer bepaald die van de negende ‘associate justice’ bij het net vermelde rechtscollege.

President Obama is er niet meer in geslaagd beide kamers van Congress een vervanger te laten verkiezen en dus ligt de bal nu in het republikeinse kamp. Zodra Donald Trump president is, kan hij een kandidaat voorstellen. De republikeinen hebben het House of Representatives en de Senate stevig in handen en de kans is dus zowat 100 percent dat de vervanger minstens even en waarschijnlijk zelfs nog meer rechts en conservatief als wijlen Scalia zal zijn.

Dit is geen goed nieuws voor iedereen die geen rijke, blanke, heteroseksuele, christelijke, gezagsgetrouwe stoere man is. De benoemingen in het Supreme Court zijn eigenlijk belangrijker dan de verkiezingen van de president zelf, want in tegenstelling tot al die min of meer democratisch verkozen mandaten, geldt de benoeming tot rechter levenslang. Al bij al was het misschien beter geweest als Scalia nog vier jaar had voortgeleefd, liefst zo verzwakt door ziekte dat hij niet langer in staat was te stemmen over belangrijke vonnissen. Wie dat een hard standpunt vindt, moet maar eens een dagje in Aleppo doorbrengen. Wat ik hier vertel, is niets vergeleken met het cynisme dat de Grote Leiders van allerlei landen aan de dag leggen.

De wetenschap zal de mensheid verder vooruit moeten helpen zonder Ray Tomlinson, de uitvinder van e-mail, zonder Ahmed Zewail, in 1999 de eerste moslim die een Nobelprijs kreeg, ironisch genoeg met uitzondering van de Nobelprijs    voor de Vrede, en zonder Joani Blank, een ontwerpster van vibrators met een universitair diploma in gezondheidszorg en dus logischerwijze politiek links van het centrum te vinden. Gelukkig zijn we ook Robert Carter kwijt, een notoire manipulator van statistische gegevens die zijn wetenschappelijke titel misbruikte om de klimaatopwarming te ontkennen.

Het literaire milieu zal romans moeten schrijven over het rouwproces na de dood van Michel Tournier, geen auteur van wereldformaat maar hij stond wel op de verplichte lectuurlijst tijdens mijn middelbare school en dus zal ik zijn naam nooit vergeten, van Dario Fo, de geestelijke mentor van de zogenaamde Vijfsterrenbeweging in Italië, en natuurlijk vooral van Umberto Eco, een van de grootste intellectuelen van deze en vorige eeuw en een man wiens inzichten we nog hard zullen missen, zeker nu we blijkbaar collectief van plan lijken elke kruimel van het concept ‘beschaving’ van tafel te vegen.

Tot slot zullen de liefhebbers van ironie hebben gelachen om het overlijden van de Uruguayaanse politicus Jorge Lepra, die nog over al zijn ledematen maar niet over een gezond hart beschikte. Op 7 en 8 januari 2016 zijn niet minder dan drie bekende Ieren overleden. Ze heetten allen Patrick. Verder heeft een zekere Benoît Violier bewezen dat het streven naar succes ook niet alles is in het leven. Amper een maand nadat zijn restaurant in Zwitserland als het beste ter wereld was bekroond, schoot hij zichzelf een kogel door het hoofd. Hij is trouwens niet de enige bekende chef die dit jaar het leven heeft gelaten. In Nederland is de dood vastgesteld van Joop Braakhekke, een man die ondanks zijn achternaam zelfs op televisie voor anderen mocht koken. In Griekenland overleed Konstantin Despotopoulos. De eerste drie lettergrepen van zijn achternamen verraden enigszins dat hij ooit een regeringsportefeuille heeft gehad. James Bond is overigens ook dood. De echte dan toch, voor de filmversie moeten we wachten tot het publiek er eindelijk genoeg van heeft. Bond was een Australisch marine-officier, maar het ironische is dat hij vanwege zijn naam dus wel degelijk constant drankjes en uitnodigingen kreeg. In Litouwen heeft Juras Pozela, de minister van Volksgezondheid, reclame voor zijn eigen beleid gevoerd door aan een behandelbare ziekte te overlijden. Een vergelijkbaar niveau van ironie is te vinden in het overlijden van Gordon Hamilton, een klimaatwetenschapper die zich had gespecialiseerd in de studie van gletsjers en die in het poolgebied in een ten gevolge van het smeltproces ontstane kloof is gevallen.

Het absolute toppunt van ironie te midden van al deze overlijdens moet echter wel het droeve lot van Andrew Sachs, oftewel Manuel uit Barcelona, zijn. Hij werd onsterfelijk met het zinnetje ‘I know nothing’, maar stierf uiteindelijk, helemaal niets meer wetend, aan de ziekte van Alzheimer. Nu maar hopen dat dit ook Vladimir Poetin overkomt. Telkens een van zijn tegenstanders plots blijkt te worden vermoord, weet hij van niets. Misschien kan een ziekte ervoor zorgen dat dit ook klopt. Het is in elk geval iets om naar uit te kijken voor het jaaroverzicht van 2017.
--------------
[1] Ik laat de hypocrisie maar achterwege. Iedereen denkt van zichzelf dat zijn smaak de beste smaak is. Waarom zou ik nog proberen me sympathiek te maken door het omgekeerde te beweren?