Malcolm blikt terug: op de overlijdens van 2016, deel 2, over Eric Defoort

Dinsdag 27 december 2016

Het is niet de eerste keer dat een professor overlijdt waarvan ik lang geleden nog les heb gekregen.

In 1996 overleed Norbert De Paepe, een onuitstaanbare kwal die er enkel in slaagde zijn studenten tot een glimlach te beweren door om 10 uur ’s ochtends al te straalbezopen te zijn om nog les te kunnen geven. De helft van de tijd kwam hij niet opdagen. De andere helft was tijdverlies. Tijdens de examens luisterde hij met een half oor naar wat studenten te vertellen hadden, maar nu en dan pikte hij er eentje uit. Hopend dat men hem toch nog ernstig zou nemen, had hij zich nu eenmaal voorgenomen elk jaar een paar willekeurig gekozen mensen te buizen. Ik had geluk, de persoon die vlak na mij kwam niet. Hij kende de cursus even goed als ik, maar mocht toch in september van dat jaar terug komen opdraven.

In 1998 overleed Brygida Rudzka, zoals de naam al laat vermoeden een vrouw van Poolse afkomst, die wanhopige pogingen ondernam haar studenten te leren hoe de Engelse taal moest worden uitgesproken zonder die vaardigheid zelf onder de knie te hebben. Als ik me niet vergis, had het vak dat ik van haar heb gekregen de titel ‘cognitieve linguïstiek’. Ook toen had ik er geen idee van wat dit precies inhoudt. Gelukkig hadden haar collega’s me toen al drie jaar getraind in het schrijven van betekenisloze zinnen gecentreerd rond trefwoorden die ergens in een uithoek van mijn geheugen aan de binnenste wand mijn brein waren blijven kleven.

In 2004 overleed Herman Servotte, de enige Jezuïet die ooit het woord tot mij heeft gericht. Plus est en eux. In 1955 gaf hij als pas afgestudeerde licentiaat in de letteren voor het eerst les op het Jan Berghmanscollege te Brussel, meer bepaald aan de klas van mijn vader, vlak voor die het uiteraard hoffelijk verwoorde verzoek kreeg een andere school te zoeken. In 1990 was ik toevallig een van de laatsten die zijn college volgden. Nadien liet hij zich grotendeels door assistenten vervangen alvorens in 1994 op emeritaat te gaan, verzwakt door de ziekte van Parkinson en  zich bewust van de onvermijdelijke aftakeling die hem uiteindelijk fataal zou worden.

In 2006 overleed Willy Braeckman, een zogenaamd literatuurkenner die zijn studenten zelfs in de tweede kandidatuur letterlijk dicteerde wat ze moesten noteren. Elke les werd onderbroken door een korte pauze, tijdens dewelke deze voorvechter van kritische en onafhankelijke wetenschap langs de banken schreed en met rode pen de woorden verbeterde die de studenten verkeerd of niet hadden genoteerd. Tijdens het examen moest men een kaartje trekken waarop de titel van een hoofdstuk stond en vervolgens dat hoofdstuk zonder pauzes of fouten woordelijk opzeggen. Wie die taak kon volbrengen, werd geacht geschikt te zijn voor de licentiejaren en kreeg 14 op 20.

In 2012 overleed Roger Vermeulen, een zelfverklaard pedagogisch deskundige die al zijn studenten in de aggregatieopleiding veel heeft bijgebracht, in het bijzonder hoe men best geen les geeft. Aangezien hij absoluut niet wist hoe om te gaan met vragen of opmerkingen uit de aula kan ik enkel besluiten dat hij in onze faculteit het juiste publiek had gevonden. Wij wisten immers wanneer we iemand zonder problemen konden negeren.

In 2013 overleed Marcel Janssens, in 1964 ten onrechte tot gewoon hoogleraar benoemd en in 1991 de promotor van mijn thesis over A.F. Th. Van der Heijden, een taak die hij wist te volbrengen zonder het boek te lezen dat het onderwerp van mijn thesis vormde. In 1997 kreeg hij de titel van professor emeritus, een dag zo heuglijk dat de departementsvoorzitter een van zijn collega’s met harde hand moest verplichten ondanks alles toch maar een receptie te organiseren voor dit mikpunt van academische minachting.

Ik kan niet zeggen dat deze overlijdens me diep hebben geraakt. Voor een aantal onder hen heb ik na al die jaren nog steeds geen respect. Sommige anderen herinner ik me amper, waarschijnlijk omdat ik hun lessen onvoldoende heb bijgewoond om me een mening te kunnen vormen. Dit betekent echter niet dat ik op een hautaine of onnatuurlijk onthechte manier wil beweren dat ik nooit iets aan mijn universitaire vorming heb gehad of dat geen enkele hoogleraar ooit in staat is geweest mij iets bij te brengen. Nu en dan ontmoet men wel eens een docent die voldoende interessant uit de hoek kan komen om zijn publiek echt te boeien.

Recent, op 16 december 2016, is het lijstje aangevuld met Eric Defoort. Ik had al lang niets meer over hem gehoord, maar blijkbaar ging het niet zo goed met hem. Ik heb geen idee van de doodsoorzaak, maar ik ben al blij dat hij niet door een terrorist is vermoord. Ik zou het zeer spijtig hebben gevonden hem tot martelaar te zien uitroepen door de foute vrienden die hem gedurende de laatste decennia van zijn leven omringden.

Ik heb gedurende slechts een semester van een academiejaar les gekregen van professor Defoort, maar ik herinner me nog goed welk effect hij op de aanwezigen had. Officieel werd hij verondersteld ons historische inzichten bij te brengen over de geschiedenis van de moderne tijd, oftewel de Europese geschiedenis na de Franse Revolutie. Hij heeft die opdracht op zijn manier geïnterpreteerd. Er was wel degelijk sprake van een Franse invalshoek en van revoluties, maar daar bleef het eigenlijk bij.

Gedurende enkele maanden heeft professor Defoort me elke woensdagvoormiddag wegwijs gemaakt in de utopische socialisten van de negentiende eeuw. Dat was het. Verder ging zijn inleiding in de geschiedenis van het moderne Europa niet. Hij liet me kennismaken met figuren als Proudhon, Saint-Simon, de Lammennais en Fournier en hij kon me uitleggen wat de slogan ‘eigendom is diefstal’ eigenlijk betekent.

Voor de meeste medestudenten was dit niet een van de openbaringen die me optilde uit het deprimerende moeras van middelbare scholen zonder niveau of ambities, maar een nachtmerrie. Ik zat daar immers niet alleen. Samen met enkele anderen die voor de commerciële zelfmoord gekend als een studie in de Germaanse filologie hadden getekend, moest ik een grote aula delen met een enkele honderden studenten uit de eerste kandidatuur rechten.

Professor Defoort had geen cursus. Hij had zelfs amper een voorbereiding bij zich en wekte meestal de indruk niet te weten waar zijn verhalen hem tien minuten later zouden leiden. Onder de rechtenstudenten, die het voor het eerst zonder te memoriseren bundel teksten moesten stellen, brak paniek uit. Ze stuurden hun praesidium op hem af met de smeekbede hun slaagkansen voor dit gegarandeerde buisvak te verhogen met een duidelijke lijst van wat de studenten precies moesten blokken. Hij stuurde ze wandelen. Eens omhooggevallen, maar nu terneergedrukt, dropen de jassen van Millet en de jeans van Chipie weer af naar de schapenstal van hun eigen faculteit, waar ze zich ten onrechte als vrije individuen beschouwden. Dit was voor mij een nog grotere openbaring.

Hoewel hij later om mij onbekende redenen in rechtse kringen is beland, was professor Defoort in die tijd een linkse intellectueel die zich afzette tegen zowat alle standpunten die nadien zijn ingenomen door de partij die hij mee heeft helpen oprichten. Hij was een voor ontvoogding strijdende flamingant die in de tijd van August Vermeylen thuishoorde, maar zich in een te zeer veranderde wereld trachtte staande te houden.

Na zijn periode bij de toenmalige SP is hij weer in de klauwen beland van de Vlaams-nationalisten. Als liefhebber en kenner van de oude utopisten met hun communes en radicale hervormingsplannen had hij allicht door dat de nieuwe generatie socialisten geen enkele moeite meer deden om het kapitalisme te vernietigen en zich nederig en zonder veel strijdvaardigheid beperkten tot het redden van de sociale zekerheid.

Ik heb Eric Defoort overigens niet enkel als lesgever meegemaakt. Hij was in die tijd ook hoofdbibliothecaris van de kleine universiteitsbibliotheek van het toenmalige UFSAL, ondertussen van naam en gebouw veranderd. Hij had ook een assistent-bibliothecaris in dienst, Kris Hoflack. Die zou later in de nieuwsdienst van de VRT de rechterhand worden van Siegfried Bracke, ook al een rechtse populist die ooit nog een paar jaar in SP-kringen heeft rondgehangen. De nieuwe conservatieven waren blijkbaar lang geleden al het netwerk aan het uitbouwen dat ze na hun machtsgreep nodig zouden hebben.

Ik kan niet zeggen dat zijn overlijden me diep raakt, maar toch een pak meer dan dat van pakweg Gaston Berghmans of Eddy Wally, nog twee voorbeelden van het gebrek aan redenen om zich een trotse Vlaming te noemen. Gezien de gevorderde leeftijd van veel van mijn gewezen docenten is dit waarschijnlijk niet de laatste keer dat ik me geroepen zal voelen een tekst als deze te schrijven. Erg is dat natuurlijk niet. Het betekent tenslotte dat ik zelf nog leef.

Geef commentaar

Plain text

  • No HTML tags allowed.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.

Filtered HTML