Malcolm keek kritisch naar: de documentaire ‘De Leuvense Scene’

Zaterdag 24 december 2016

De initiatiefnemers achter onder meer Cinema Zed, de sympathieke vzw Fonk, heeft in eigen beheer een 114 minuten durende documentaire gemaakt over wat zij ‘de Leuvense scene’ noemen, een verzamelterm voor een bepaalde groep mensen die op een bepaald moment in de tijd in een bepaalde stad een bepaald soort muziek maakten. Op zich is daar natuurlijk niets mis mee, maar ik wil toch een paar bedenkingen delen met de rest van de wereld of, beter gezegd, met die paar mensen die niets beters te doen hebben dan mijn blog te lezen.

Deze bedenkingen zijn natuurlijk vooral interessant voor diegenen die de documentaire effectief hebben gezien en eventueel zelfs het bijbehorend boek hebben ingekeken. De documentaire is in het najaar in de zaal van Cinema Zed vertoond, maar is uiteraard nog op dvd verkrijgbaar. Wie een exemplaar wil of wat informatie over de dvd wil, kan op de officiële website terecht.       

Het is mogelijk dat wie niet weet waarover het gaat deze tekst maar niets vindt, maar daar heb ik twee reacties op. Ten eerste raad ik iedereen aan de documentaire zeker eens te bekijken. Hoewel ik hier en daar een punt van kritiek heb, blijft het uiteindelijk wel de moeite eens te zien en te horen hoe het er hier vroeger aan toe ging. Ten tweede kan ik me in deze blog niet beperken tot onderwerpen waarvan iedereen alle details kent. Ik zou nu een gedetailleerde inhoudelijke samenvatting van de documentaire kunnen geven, maar dat zou volgens mij verschrikkelijk saai worden, niet in het minst voor diegenen die de dvd wel al hebben bekeken.

Eerste bedenking: om muziek te beoordelen, moet men geen muzikant zijn

De documentairemakers laten eigenlijk enkel muzikanten aan bod die er tussen 1973 en 1980 bij waren. Volgens hen draaide de scene in Leuven toen rond een grote groep jongeren die samen muziek wilden maken, maar eigenlijk komen in de documentaire slechts een twintigtal mensen aan bod.

Mij niet gelaten, maar volgens mij kunnen niet-muzikanten ook zinnige zaken vertellen over concerten en cafés waar ze al hun vrije tijd doorbrachten. Misschien betekent het feit dat ze niet op het podium stonden zelfs dat ze alles objectiever en vanop afstand kunnen beoordelen.

Bovendien had ik graag wat meer organisatoren voor de camera gezien. De documentairemakers en de geïnterviewden hebben het constant over het rijke caféleven en de amateuristische concertjes die toen overal half geïmproviseerd tot stand kwamen. Ook de mensen van de onafhankelijke platenlabels komen amper aan bod, met uitzondering van Paul Evrard van Parsley Records, die er overigens uitziet alsof iedereen die hem nog eens wil spreken zich maar beter kan haasten.

Idem dito voor de onafhankelijke platenwinkels, de tijdschriftjes en fanzines, de verenigingen die bands inhuurden voor hun activiteiten, de studentenbeweging die in Leuven een belangrijke rol speelde, de geluidstechnici en natuurlijk de DJ’s die, althans tegen het einde van het decennium, hun best deden al die nieuwe plaatjes enige bekendheid te verlenen. Zelfs Radio Scorpio, opgericht in 1978 en toen bijzonder populair bij jonge en minder jonge muziekliefhebbers, wordt door letterlijk niemand vermeld. Om een mening te mogen geven, moet men blijkbaar eerst gitaar spelen.

Tweede bedenking: incest is geen goede voedingsbodem

De mensen die aan het woord en in beeld komen, zijn niet enkel allemaal, op enkele uitzonderingen na, zelf muzikanten. Het zijn bovendien bijna allemaal muzikanten die tijdens de interviews vooral naar elkaar verwijzen.

Blijkbaar heeft iedereen ooit wel eens met alle anderen samengespeeld, met uitzondering van Rick Tubbax. Hij wordt dan maar als een eenzaat afgeschilderd, hoewel iets later blijkt dat hij ook met een hoop van de andere geïnterviewden op het podium heeft gestaan. Blijkbaar herinnert iedereen zich hem als de outcast van het gezelschap omdat hij niet met letterlijk elke onvermijdelijk baardige Leuvense muzikant heeft samengespeeld.

Natuurlijk zullen mensen in een documentaire over een bepaalde scene vooral over andere mensen uit die scene praten. Ik vind het echter toch bizar dat persoon A verwijst naar personen B, C, D, E en F, waarop persoon B verwijst naar personen A, C, D, E en F en persoon C verwijst naar personen A, B, D, E en F, et cetera. Meer nog  dan over muziek, concerten of de achterliggende ideeën, gebruiken al de geïnterviewden de hen toebedeelde tijd voornamelijk om namen van andere Leuvenaars te vermelden. Men krijgt zo de indruk dat sommigen hun eigen belang trachten op te krikken door zich met andere muzikanten te associëren. Alleen werkt een dergelijke aanpak niet als alle betrokkenen hetzelfde doen.

Derde bedenking: een scene zonder naam of definitie heeft misschien ook geen inhoud

Op enkele uitzonderingen na vertellen de geïnterviewden min of meer hetzelfde verhaaltje. Dat ze hierbij vlot in herhaling vallen, stoort de montagecrew duidelijk niet. Eerst was er enkel kleinkunst in het Nederlands en buitenlandse blues en rock in het Engels. Dan ontdekten een paar Leuvenaars de elektrische gitaar en begonnen ze te experimenteren met Nederlandstalige rock. Vervolgens begonnen ze een jarenlange tocht langs kleine podia in bruine kroegen. Ze speelden niet in een vast ensemble, maar in constant van samenstelling en naam veranderende gelegenheidsgroepjes. Nu en dan maakte eens iemand een plaat, maar de nadruk lag steeds op het livecircuit. Tot slot schakelde Jean-Marie Aerts over van imitaties van Eric Clapton naar de funky noiserock van TC Matic en kon niemand meer volgen.

Op zich is er natuurlijk niets mis mee dat een documentaire over een bepaald tijdperk een historisch overzicht biedt of mensen aan het woord laat die over die periode vertellen. In dit geval gaat het echter steeds over hetzelfde. Ze hebben ooit een gitaar opgepikt uit liefde voor muziek en ze zijn om die reden ook jaren of zelfs decennia muziek blijven maken. In die tijd was dat, net zoals het later ook nog zou zijn, ook deels een daad van rebellie. Muzikanten werden door de brave burger beschouwd als langharig tuig, drugsslikkende uitkeringstrekkers en goddeloze moraalverdervers. Dit beeld leeft hier en daar nog, maar helaas veel minder terecht.

Van dit alles valt in de documentaire weinig te merken. Ik weet niet of het aan de documentairemakers of aan de geïnterviewden ligt, maar op geen enkel moment neemt iemand een standpunt in. Het gaat enkel om de muziek. Ik kan me nochtans niet voorstellen dat mensen zich tot dit milieu aangetrokken voelden, zowel in het publiek als op het podium, enkel en alleen vanwege een voorkeur voor bluesakkoorden of rockende drumroffels.

Een scene zonder gemeenschappelijk ideeëngoed is niet meer dan een toevallige verzameling individuen met een gedeelde interesse. Muziek is enkel een expressievorm. Zonder een achterliggende gemeenschappelijke idee is er geen eenheidsgevoel en zonder eenheidsgevoel kan men niet echt over een scene spreken.

Wie tot een scene behoort, doet meer dan nu en dan een concert bijwonen. Het gaat om de bewuste keuze een groot deel van de vrije tijd in het gezelschap van bepaalde mensen door te brengen. Die keuze wordt gemaakt op basis van een gevoel van verbondenheid. Die verbondenheid kan ik uit deze documentaire niet afleiden, net omdat de sprekers angstvallig elk maatschappelijk onderwerp uit de weg gaan. Leuven was gedurende jaren berucht als de stad van de grote studentenprotesten, maar blijkbaar was de revolutie tegen 1974 al gearchiveerd.

Vierde bedenking: de overtuiging dat er één en slechts één scene is, is een confabulatie

Hoewel alle lezers van mijn blog vanzelfsprekend hooggeschoolde intellectuelen zijn, is het ook voor hen nooit te laat om nog eens een nieuw woord te leren [1]. De term ‘confabulatie’ slaat op het “vertellen van overdreven, gefantaseerde of onware verhalen (…) maar er is geen sprake van opzettelijk liegen. Confabulatie heeft meestal te maken met een cognitieve stoornis van het geheugen, die bij hersenbeschadiging kan optreden.“ Ik heb om twee redenen voor deze term gekozen.

Hoewel sommigen dit misschien grappig zouden vinden, bedoel ik niet dat de geïnterviewden verzonnen anekdotes vertellen omdat ze hun hersenen met hectoliters Stella Artois om zeep hebben geholpen. Ik bedoel enkel dat ze, deels omdat het al lang geleden is en deels omdat de plotse belangstelling voor hun jeugdjaren hun ego streelt, die lang vervlogen jaren enigszins romantiseren. Ze praten enkel over hoe plezant, creatief en vrijgevochten het allemaal was. Ik kan me in elk geval niet voorstellen dat er nooit eens iets misliep, er nooit eens een persoonlijk conflict ontstond en er nooit eens een discussie uit de hand liep.

Belangrijker nog is echter de consequent volgehouden illusie van zowel de documentairemakers als de geïnterviewden dat er in Leuven een en slechts een scene bestond. Ze gedragen zich alsof er in de jaren 1970 in Leuven enkel muzikanten en fans rondliepen die naar op Brits-Amerikaanse lijst geschoeide rock met bluesinvloeden wilden spelen of horen. Er waren toen echt wel ook liefhebbers van traditionele folk, van kleinkunst, van hardrock of later van punk die hier weinig tot niets mee te maken hadden. Die mensen hadden ook hun eigen milieu, met eigen muzikanten, concerten en publiek. Waarom spreken ze hier eigenlijk van ‘de’ Leuvense scene? De groep mensen die hier aan bod komt, was misschien het grootst en het invloedrijkst, maar dat is nog geen reden om het bestaan van de rest te miskennen.

Vijfde bedenking: naïviteit is enkel een goede eigenschap in het juiste gezelschap
 
De mensen die deel uitmaakten van de Leuvense scene waarover sprake in de titel vonden het leven en vooral het muzikale gedeelte ervan in de jaren 1970 blijkbaar zeer plezant. Alles kon en alles mocht. Ze improviseerden en experimenteerden. Vaak ging het er amateuristisch aan toe, maar de sfeer zat tenminste goed. Ze waren geen van allen hebzuchtige professionals die de maandelijkse inkomsten belangrijker dan creatieve kruisbestuivingen vonden. Dat is allemaal positief en ik gun het iedereen een dergelijk leven te kunnen leiden. Het is natuurlijk gemakkelijk nadien, wetende wat er de voorbije decennia allemaal is gebeurd, een oordeel te vellen over de houding die mensen veertig jaar geleden hebben aangenomen, maar toch stoor ik me aan de naïviteit waarmee alle geïnterviewden zich uitlaten over de vijand die ze zelf in hun midden hebben verwelkomd.

Een heel gedeelte van de documentaire bestaat in feite uit een lofzang op Herman Schueremans, toentertijd een beginnende kleine concertorganisator met een perfect afgestemd zakelijk instinct en de nodige sociale vaardigheden om snel de juiste contacten te leggen. Schueremans wordt afgeschilderd als de man die de Leuvense scene de weg naar de professionalisering heeft getoond en die Leuven met zijn concerten van steeds grotere buitenlandse namen op de internationale kaart heeft gezet.

Schueremans zelf wordt niet geïnterviewd. Ik weet niet of hij heeft geweigerd of dat de vraag hem nooit is gesteld. Ik weet wel dat men in allerlei archieven beeldmateriaal over zijn vroege jaren heeft gevonden. Regelmatig verschijnen stukjes uit oude televisie-interviews of foto’s van hem in beeld. Ik raad iedereen aan niet alleen te luisteren naar wat op dat ogenblik wordt gezegd, maar ook goed te kijken naar zijn gezicht, in het bijzonder naar de lege, totaal emotieloze blik van een sociopaat.

Vanuit zuiver organisatorisch oogpunt heeft Schueremans natuurlijk veel betekend. Hij heeft alles in het Leuvense tot een hoger niveau getild en niemand kan hem verwijten dat hij niet hard heeft gewerkt om succes te bereiken. Dit neemt echter niet weg dat hij zich steeds meer tot monopolist heeft ontpopt. Na verloop van tijd begon hij zichzelf zodanig te identificeren met de grote concerten in deze streek dat hij het niet meer kon verkroppen dat iemand anders een grote of zelfs middelgrote buitenlandse band wist te boeken. Dat hij op die manier de onbaatzuchtige dromen van een aantal alternatieve muziekpromotoren de kop heeft ingedrukt, maakte hem niet uit. Ik hoop dat iedereen die hiermee te maken heeft gehad eindelijk eens naar buiten zal treden en een boekje hierover zal opendoen.

In elk geval is het mede door zijn inmenging dat het gezellige, vrijblijvende en ongestructureerde sfeertje van de eerste jaren is verdwenen. Muziek is een business en concurrentie is een middel om de top te bereiken.

Zesde bedenking: zonder vervolg zal dit altijd onvolledig aanvoelen

De documentaire spitst zich toe op een zeer beperkt aantal jaren in de geschiedenis van de stad. Dit is natuurlijk het volste recht van de mensen die het initiatief hebben genomen en er fondsen voor hebben verzameld, maar het blijft een momentopname. Blijkbaar eindigt de vooruitgang in de Belgische muziekgeschiedenis met TC Matic en is alles wat nadien is gekomen met moeite een voetnoot waard. De volledige Leuvense muziekgeschiedenis na 1980 wordt herleid tot een niet zo positieve verwijzing naar The Neon Judgement, ondertussen in binnen- en buitenland als elektronische pioniers de hemel in geprezen, en een foto waarop twee affiches van punkconcerten, respectievelijk uit 1986 en 1991, te zien zijn.

De documentairemakers zullen wellicht niet tegenspreken dat dit historisch natuurlijk niet heel correct is. Ook na 1980 heeft Leuven nog interessante, succesvolle, creatieve en tegendraadse bands en muzikanten voortgebracht die op hun beurt hopen mensen wisten te boeien. Iedere kijker die er veertig jaar geleden zelf niet bij was en die deze documentaire vooral uit interesse heeft opgezet, blijft tot op het einde hopen dat ook die latere generaties nog aan bod zullen komen, maar zal uiteindelijk teleurgesteld de eindgeneriek zijn passeren.

Dit is eigenlijk mijn belangrijkste conclusie. Ik hoop dat de mensen achter vzw Fonk of andere initiatiefnemers de energie en het geld zullen vinden om een vervolg te maken waarin de mensen aan bod kunnen komen die rond 1980 de fakkel van de eerste langharige rockers hebben overgenomen. Ook zij verdienen een dergelijke respectvolle behandeling.







------------------------
[1] Dit is de definitie zoals ze op Wikipedia staat. Er is in een of ander handboek voor psychologen ongetwijfeld een andere definitie te vinden die hetzelfde zegt, maar dan wel iets ingewikkelder verwoord.